Wateroverlast

Gepubliceerd op 27 augustus 2013

We richten beken en sloten zo in dat we wateroverlast zoveel mogelijk beperken, ook bij grotere hoeveelheden neerslag. Door klimaatverandering krijgen we bovendien steeds vaker te maken met extremen. Met langduriger periodes van droogte en meer en heftigere buien. Ondanks alle inspanningen kunnen we wateroverlast niet altijd voorkomen.

We kunnen wel de kans op wateroverlast verkleinen. Het hangt af van de situatie wat de beste en voordeligste aanpak is. We kunnen het beheer en onderhoud van de beek of sloot aanpassen of we kunnen de watergang zelf veranderen. Of we daadwerkelijk maatregelen uitvoeren is ook afhankelijk van een maatschappelijke kosten-baten afweging. Het heeft geen zin om hoge kosten te maken om een relatief beperkte schade te voorkomen.

Water vasthouden, bergen en afvoeren

Landelijk zijn afspraken gemaakt over hoe we wateroverlast voorkomen en oplossen. We hebben de afgelopen jaren geleerd dat het zo snel mogelijk afvoeren van water via rechte, brede en diepe sloten niet altijd goed is. Het kan leiden tot wateroverlast benedenstrooms (verplaatsen van het probleem) en het gaat ten koste van de natuur. Door water zo snel mogelijk af te voeren daalt ook de grondwaterstand met verdroging als gevolg. Ook worden beken en sloten veel eentoniger en kunnen er minder verschillende planten en dieren leven. Het waterbeheer is tegenwoordig gericht op het zo lang mogelijk vasthouden van water in de beken en rivieren, maar ook in de bodem zodat het rustiger kan wegstromen. Eventueel kunnen we water tijdelijk parkeren op plekken waar dit geen schade oplevert (bergen). Als het echt niet anders kan, nemen we maatregelen en voeren we het water zo snel mogelijk af.

Normen

Voor wateroverlast zijn landelijke normen vastgesteld. In deze normen is vastgelegd hoe groot de kans op wateroverlast mag zijn in stedelijk gebied, op landbouwgrond en op natuurterreinen. Het gaat hier om kansberekeningen en niet om frequenties. Een kans van 1/10 voor landbouwgrond betekent dus niet dat landbouwgrond één keer in de tien jaar mag overstromen, maar dat er elk jaar een kans op overstroming mag zijn van 1 op 10. Je loopt dus elk jaar deze kans. Het kan dus best zijn dat een stuk landbouwgrond waar in twee of drie opeenvolgende jaren sprake is van wateroverlast toch aan de normen voldoet.
We toetsen periodiek of ons watersysteem ook in de toekomst aan de normen blijft voldoen. Als hieruit blijkt dat de kans op overstroming groter wordt dan de norm, moet het waterschap hier iets aan doen.