Bodem en ondergrond

Geologie

Geologisch gezien ligt het beheersgebied Baakse Beek op de overgang van het Oost-Nederlands plateau naar het Pleistocene Noordzeebekken. Het Oost-Nederlands plateau is tientallen miljoenen jaren geleden ontstaan als gevolg van bewegingen in de aardkorst. Vlak onder het oppervlak komt miljoenen jaren oud (tertiair en ouder) vaak slechtdoorlatend materiaal voor, de geohydrologische basis. Op deze ondergrond zijn tijdens het laat pleistoceen en holoceen grindige en zandige afzettingen afgezet (formatie van Kreftenheye). Richting het westen wordt de grofzandige en vaak grindhoudende zandlaag dikker, van enkele meters bij de terrasrand in het oosten tot 50 meter bij het IJsseldal (zie figuur 2.1). In het IJsseldal komt rond NAP klei voor die soms een aaneengesloten kleilaag vormt. Deze kleilagen hebben invloed op de grondwaterstromingen, deze zijn verder beschreven in kwel en wegzijging. Meer informatie over geologische informatie is te vinden op Dinoloket of Bodemdata.

Tabel 2.1 Indeling van het geologische tijdperk kwartair

2.1

F2.1Figuur 2.1: Schematische dwarsdoorsnede van de geologie in het stroomgebied van de Baakse Beek-Veengoot

De IJstijden Saalien en Weichselien en het hierop volgende Holoceen zijn belangrijke periodes geweest voor de geologie in het gebied.

Saalien (238.000 – 126.000 jaar geleden): Door het landijs van de voorlaatste ijstijd zijn er glaciale bekkens en stuwwallen ontstaan. Zo ontstond er een stuwwal tussen Lochem, Ruurlo, Hengelo, Montferland en Dieren. Door de ontwikkeling van een nieuwe ijslob is de stuwwal tussen de Lochemse Berg en Montferland vereffend, maar nog wel herkenbaar door de aanwezigheid van enkele zandkopjes van keien en grind. Verder komen er in de Achterhoek meerdere pleistocene geulen voor die met grindhoudend grof zand zijn opgevuld, zoals de meer dan 140m diepe glaciale geul bij het pompstation ’t Klooster. De geul is waarschijnlijk gevormd door een rivier uit de Saale ijstijd en is daarna volledig gevuld met grofzandige afzettingen. Door het smelten van de IJskap ontstond er een 25 km breed en wel 100 m diep gletsjermeer in het huidige IJsseldal.

Eemien (126.000-116.000 jaar geleden): Tussen de laatste twee ijstijden was er een zacht klimaat. Na het afsmelten van de ijslob werd het gletsjermeer en gletsjerbekken vanuit het zuiden geleidelijk aan opgevuld met rivierzanden, die door het gletsjerbekken naar het noorden afwaterde met een stelsel van snel stromende, vlechtende stroomgeulen. Grindige en zandige afzettingen werden daarbij gevormd (formatie van Kreftenheye). Hierbij ontstonden soms ook rivierduinen. In de verder gelegen kommen kwam het fijnste materiaal, de komklei tot bezinking. De bodem van deze kommen bestaat daarom uit zware en compacte rivierklei.

Weichselien (116.000-11.700 jaar geleden): In de laatste ijstijd reikte de ijskap niet tot in Nederland. Tijdens het droge poolklimaat hadden wind- en watererosie vrij spel. Stuwwallen erodeerden en er ontstonden plateaus, welvingen en grote gebieden met dekzand. Naast de dekzandruggen ontstonden lemige laagten met een humusrijke laag. Een proces van veenvorming en verschillen in grondwaterkwaliteit creëerden veel verschillende typen veen (variërend van basisch tot zuur veen).

Het gebied ten westen van Hengelo stond eerst nog onder invloed van de Rijn, die als vlechtende rivier in noordelijke richting stroomde. Ongeveer 40.000 – 60.000 jaar geleden verzandde het IJsseldal en verlegde de Rijn zijn loop naar het westen. Eerst ging het nog om Montferland heen, maar later ontstond ook tussen Kleef en Elten een gat in de stuwwal: de Gelderse Poort. In de oude bedding bleef nog een lokale stroom over, de Oude IJssel. De voormalige stroomgeulen werden smaller en ondieper of verdwenen.

Holoceen (11.700 jaar geleden – Nu): na de ijstijd werd het klimaat veel natter. Vanaf de hogere delen stroomden beekjes via de dekzandgebieden richting de IJssel. Op plaatsen waar het grond- en of oppervlaktewaterstromingen stagneerden ontstonden venen en moerassen. Door het geringe bodemverhang (en klimatologische omstandigheden) tussen Lichtenvoorde en Ruurlo ontstond een groot veenmoeras ten westen van het Oost-Nederlands plateau. Afgestorven planten verdwenen onder de waterspiegel en waar geen lucht kon toetreden, ontstond er laagveenpakket. Op plaatsen met aanvoer van voedselrijk en of basisch water kreeg het mosveen geen kans en ontstond er geen hoogveen. Op sommige voedselarmere zure locaties ontstond wel een dikkere veenlaag. Ook ontstonden er dekzanden op de nattere, lage plaatsen. Nat zand verstuift niet, maar blijft liggen en bouwt zich op tot een dekzandrug. Zo kwam het dat oorspronkelijke laagten nu juist hoog (als dekzandruggen) in het landschap liggen.

Door de ontwikkeling van vegetatie na de ijstijd werd het water beter vastgehouden in de bodem en werd de afvoer van rivieren gelijkmatiger. Als gevolg hiervan verenigden de vlechtende stroomgeulen van de Rijn zich tot één of enkele hoofdstromen, die hun bed sterk verbreedden en verdiepten. Het vrijgekomen sediment kwam deels op de oevers terecht waar stuifduinen tot ontwikkeling kwamen, zoals ten noorden van de Oude IJssel, tussen Doetinchem en Doesburg. Pas veel later vormden zich kleilagen langs de rivieren. Dit werd mogelijk doordat de zeespiegel steeg en daarmee het verhang en de stroomsnelheid op de rivieren afnam. Deze rivieren gingen meanderen en bestonden uit één hoofdgeul. Bij grotere afvoeren trad deze buiten zijn oevers en werd kleiig materiaal afgezet in lage gebieden waar het water bleef staan.

Geomorfologie

Het stroomgebied kan globaal in drie geomorfologische regio’s worden onderverdeeld, het Oost-Nederlands plateau, de centrale bekken en het rivierengebied (zie figuur 2.1):

Oost-Nederlands plateau:

Op kaart 2.3 is een duidelijk hoogteverschil te zien langs de lijn Eibergen-Groenlo-Aalten. De plateaurand (ook wel terrasrand of steilrand genoemd) markeert de overgang van het Oost-Nederlands plateau naar het dekzandgebied behorend tot het centrale bekken. Op (de rand van) het plateau liggen de bronnen van diverse beken en zijn de volgende geomorfologische eigenschappen zichtbaar:

  • De smalle langgerekte stroomdalen van de beken
  • Daluitspoelingswaaiers met dekzand
  • Hellingafspoelingen

Centrale bekken:

Het relatief vlakke gebied tussen het Oost-Nederlands plateau en het rivierengebied werd gekenmerkt door de afwezigheid van beeksystemen. Er waren hier geen stroomdalen en beekdalbodems maar het bestond uit een aaneenschakeling van moerassen. Uit de bodemopbouw blijkt dan ook dat het van oudsher een nat gebied was, met:

  • grote aaneengesloten vlakten van verspoelde dekzanden, zoals bij Lichtenvoorde. De dekzanden worden afgewisseld met lange dekzandruggen, zoals tussen Aalten en Hengelo en tussen Zelhem en Ruurlo (zie kaart 2.2).
  • Het gebied ten westen van Ruurlo wordt gekenmerkt door een gevarieerd patroon van beekoverstromingsvlaktes, dekzandwelvingen, lokale vlaktes van ten dele verspoelde dekzanden, dekzandruggen en beekdalbodems. De dekzandruggen zijn veelal oost-west georiënteerd. Tussen de dekzandruggen bevinden zich vlakten met verspoelde dekzanden.
  • Sinds de middeleeuwen zijn watergangen gegraven en vergraven en is het gebied in toenemende mate geschikt gemaakt voor landbouw. Het aanwezige veen is veelal verdwenen door afgraving, klink en oxidatie. In bodemprofiel zijn soms wel resten te vinden, zoals in het stroomgebied van de Grote Beek en in het Aaltense Goor (zie kaart 2.4).

Rivierengebied:

  • Even ten westen van Hengelo gaat dit dekzandgebied over in een lager gelegen gebied met grote aaneengesloten terrasvlakten, die deels zijn afgevlakt met overstromingsmateriaal.
  • Het rivierkleigebied is gevormd door inundatie en stroombaanverleggingen van de Rijn en de IJssel. De voormalige geulen van de vlechtende en meanderende rivieren zijn nog terug te zien in de geomorfologische kaart (zie kaart 2.2).
  • Dicht bij de rivieren ontstonden rivierduinen, zoals tussen Doetinchem en Doesburg. Het oorspronkelijke hoogteverschil is bovendien vaak nog versterkt door het mestdek op de hogere delen (enken).
  • Op grotere afstand van de rivierbedding, waar het water minder hard stroomde, kwamen de kleinere deeltjes tot bezinking, hier zijn kleilagen afgezet
  • De overgang van dekzandgebied in het oosten naar rivierengebied is niet scherp, maar geleidelijk. De rivierafzettingen vonden plaats tussen de hogere delen, waardoor dekzandruggen boven het kleipakket uitsteken en een mozaïek van klei en zand is ontstaan.

Kaart 2.2: Geomorfologische kaart beheersgebied Baakse Beek (legenda)

Hoogte

Globaal loopt het gebied af van het zuidoosten naar het noordwesten (zie kaart 2.3). De maaiveldhoogte in het beheersgebied van de Baakse Beek verloopt van ruim 35 m + NAP op het Oost-Nederlands plateau naar ruim 20 m + NAP bij Lichtenvoorde tot ca. 7 m + NAP bij het uitstroompunt in het IJsseldal. Enkele karakteristieken van het gebied zijn:

  • De hoogteverschillen aan de rand van het Oost-Nederlandse plateau. Soms is de terreinknik naar het westen heel duidelijk aanwezig, zoals een steilrand van wel 12 meter bij Aalten. Elders ligt de overgang zacht glooiend in het landschap;
  • De dekzandruggen ten zuidwesten van Lichtenvoorde, tussen Aalten en Hengelo en tussen Zelhem en Ruurlo;
  • De rivierduinen ten westen van Hengelo en tussen Doetinchem en Doesburg. Vooral in het rivierengebied is er veel reliëf door de aanwezigheid van rivierduinen en de voormalige stroomgeulen.
  • De voormalige vuilstort Langenberg gelegen ten noordwesten van Zelhem.

2.3 hoogte

Kaart 2.3: Hoogte in het Beheersgebied Baakse Beek

Bodem

In verreweg het grootste gedeelte van het beheersgebied Baakse Beek is er een zandige bodem. In de natuurlijke laagten ligt beekbezinksel en bij de IJssel rivierklei. Het gebied heeft de volgende bodemkarakteristieken:

  • Op het Oost-Nederlands plateau komt op veel plaatsen slechtdoorlaatbare keileem en tertiaire klei dicht aan de oppervlakte voor. Verder zijn hier vooral veldpodzolgronden, die zijn ontstaan in gebieden waar het water niet via een beek kon worden afgevoerd, maar ter plekke moest bezinken. Bij de ontginning is het gebied vaak ontwaterd.
  • Op de hogere delen met een goed doorlatende ondergrond, zoals op de essen en dekzandruggen (zie landschap), komen enkeerd-, veldpodzol- en holtpodzolgronden voor. De holtpodzolen (kalkloze zandgronden met een inspoelingslaag, veelal gebruiksbos van oorsprong) vindt men uitsluitend op het plateau. De essen bestaan geheel uit enkeerdgronden: het resultaat van eeuwenlange bemesting met mest en ander organisch materiaal. Soms komen moerige podzolgronden voor. Het zijn waarschijnlijk restanten van reeds ontgonnen veengronden.
  • Lager, in de dalen en tussen de dekzandruggen, komen voornamelijk beekeerdgronden en soms gooreerdgronden voor. Op sommige nattere plekken komen broekeerdgronden voor. Beekeerdgronden zijn ontstaan door ontginning van elzenbroekbos en duiden op voedselrijk grondwater. Veldpodzolgronden duiden op natte voedselarme omstandigheden.
  • Op stuifzanden, zoals bij Het Zand tussen Zelhem en Ruurlo, komen duinvaaggronden voor, zonder duidelijke profielontwikkeling.
  • Net ten westen van de lijn Vorden-Hengelo komen vooral vlakvaaggronden voor. Hier is de bodemvorming voor een belangrijk deel bepaald door de invloed van de IJssel. De zandige ondergrond ontstaan uit verspoelde terrasrandresten is bedekt met een dun kleidek als gevolg van herhaaldelijke overstromingen.
  • In het uiterste westen van het beheersgebied Baakse Beek gaan de zandige vlakvaaggronden met periodieke hoge grondwaterstanden geleidelijk over in poldervaaggronden (met rivierklei).
  • Verder is hier de invloed van de mens te zien in de aanwezigheid van enkeerdgronden (ophoging met plaggenmest), veldpodzolgronden (van oudsher natte woeste gronden) en drogere laarpodzolgronden die zijn ontstaan na ontginningen.
  • In het stroomgebied van de Grote Beek komen lokaal moerige en venige gronden voor. Dit zijn vaak smalle langgerekte eenheden, zoals in het stroomdal van de Grote Beek ten noorden van Doetinchem. Langs de Oude IJssel en de IJssel liggen de hoger gelegen vorstvaaggronden.

Meer informatie over de bodemopbouw is te vinden op Dinoloket,  Bodemdata of de onderstaande bronnen.

Kaart 2.4: Bodem van beheersgebied de Baakse beek (vereenvoudigde legenda)

Literatuur

[001BB] Integrale visie Baakse Beek-Veengoot, ‘Herstel de sponswerking’ (Rapport, 2007)

[002BB] Het waterhuishoudkundig systeem en herbeoordeling (Rapport, 1996)

[021BB]   Water naar ’t Klooster dragen, ‘monitoring verdrogingsbestrijding’ (Rapport, 1998)

[025BB]   Gebiedproces Baakse Beek-Veengoot, Bouwsteen Water (Rapport, 2010)

[026BB]   Landschapsherstel in de stroomgebied van de Baakse Beek-Veengoot, ‘Naar een duurzaam landschap’ (Rapport, 2007)

[027BB]   Landgoederenzone Baakse Beek, ‘Ontwerpstudie waterbeheer, Cultuurhistorische als inspiratiebron voor ruimtelijke ontwikkeling’ (Rapport, 2006).

[028BB]   Handreiking Ruimtelijke Kwaliteit IJssel (Rapport, 2007)

[029A]      Bodemkaart van Nederland, Blad 40 West Arnhem, Blad 41 Oost Arnhem (Rapport, 1983)

[029BB]   De bodemgesteldheid van de gebieden Berkeldal, Graafschap, Wildenborch, Warnsveld-Vierakker en Hummelo-Keppel (Rapport, 2000)

[030A]      Bodemkaart van Nederland, Blad 41 West Aalten, Blad 41 Oost Aalten (Rapport, 1983)

[031BB]   Bodemsoorten beschrijving: Droge zandgronden, enkeeerdgronden, zandgronden, veldpodzolgronden en beekeerdgronden (Memo)

[032A]      Bodemkaart van Nederland, Blad 33 West Apeldoorn, Blad 33 Oost Apeldoorn (Rapport, 1983)

[032BB]   Kansenkaart water- en landnatuur Oosterwijkse Vloed en Hengelose Beek (Rapport, 2014)

Zie bibliotheek voor digitaal beschikbare documenten


2.3 hoogte

Kaart 2.2 Hoogtekaart Beheersgebied Baakse Beek

Figuur 2.1

Figuur 2.1 Dwarsdoorsnede geologie