Kwel en wegzijging

Alleen het IJsseldal kent drie watervoerende pakketten. Het grootste deel van het gebied bestaat in feite uit één groot doorlatend freatisch watervoerend pakket. De grote regionale grondwaterstroming volgt dan ook min of meer het maaiveldverloop: van het zuidoosten naar het noordwesten (zie kaart 7.2). Ten westen van Ruurlo – Hengelo – Zelhem is er een aanzienlijk hoogteverschil en daalt de grondwaterstand mee met het maaiveld. Hier ligt de verborgen stuwwal. Hiervan dacht men voorheen dat het de oorzaak was voor de natte omstandigheden in de centrale bekken tussen deze stuwwal en het Oost-Nederlandsplateau bij Lichtenvoorde. De verborgen stuwwal zou namelijk een barrière vormen voor grondwaterstroming in westelijke richting. Echter de vermeende hydrologische barrièrewerking is echter nooit aangetoond. De stuwwal heeft in ieder geval niet een dusdanige invloed op de grondwaterstroming dat het een verklaring is voor de moeras- en veenvorming in het verleden.

De grondwatertrappenkaart (kaart 7.1) laat de natte gebieden zien. De kaart is ook nauw gerelateerd aan de maaiveldhoogte en bodemopbouw (zie bodem en ondergrond). De natte gebieden zijn vaak, maar niet altijd de oorzaak van kwel. Het Aaltense Goor bijvoorbeeld is een nat gebied waar in de huidige situatie nauwelijks kwel optreedt. De natte omstandigheden zijn te wijten aan het vasthouden van regenwater.

  • Op de rand van het Oost-Nederlandse plateau zijn infiltratiegebieden. Door de aanwezigheid van ondoordringbare lagen dicht onder het oppervlak kan het grondwater niet ver de bodem indringen. Hierdoor is er kwel op de rand van het plateau en in de stroomdalen van de terrasrandbeken. De kwel wordt vooral weggevangen door de aanwezige watergangen.
  • Meer naar het westen, zoals in het natuurgebied Aaltense Goor, zijn de natte omstandigheden vooral te danken aan het vasthouden van regenwater. In sommige diepere watergangen in het gebied is nog kwel.
  • In de centrale bekken (ten westen van Lichtenvoorde tot aan Ruurlo- Zelhem) is beperkte wegzijging en veelal lokale uitspoeling. Door de grote landbouwkundige invloed is dit uitspoelend grondwater vaak voedselrijk.
  • Er is een duidelijk infiltratiegebied in het westelijk deel van de centrale bekken, tussen Zelhem, Hengelo en Ruurlo. Vooral bij Het Zand ten oosten van Hengelo, waar via het watersysteem oppervlaktewater wordt geïnfiltreerd ten behoeve van de drinkwaterwinning bij ’t Klooster. Het water wordt aangevuld met water afkomstig uit de Veengoot. Het wordt via een gemaal en een transportwatergang naar een aantal watergangen geleid om te infiltreren in de onttrekkingskegel van drinkwaterpompstation ’t Klooster.
  • In de landgoederenzone (ten noorden van Hengelo) komen meerdere kwelstromen aan de oppervlakte. Dit is zowel lokale kwel (afkomstig van de hoge zandgronden aan de randen en de kampen) als diepe kwel. Dit gebufferde kwelwater is kalkrijk, maar de samenstelling varieert afhankelijk van de oorsprong.
  • Ten westen van de lijn Hengelo-Vorden zijn diverse relatief natte gronden als gevolg van kwel. Dit kan het gevolg zijn van lokale kwel, zoals bij “Het Broek” en het “Baakse Broek”. Op sommige plaatsen komen kwelstromen vanuit de Veluwe aan het oppervlak, zoals bij Baak. Dit gebeurt via zogenaamde kwelvensters in de Zutphenklei (zie ook bodem).
  • Kwelwater kom niet alleen uit het gebied zelf maar ook vanuit de Veluwe. De stromingen komen elkaar oostelijk van de IJssel tegen (zie ook afbeelding 2.1). Hier vindt opstuwing van grondwater plaats via zogenaamde kwelvensters. Dit zijn ‘gaten’ in de waterscheidende kleilagen (Zutphenklei) die in het IJsseldal te vinden zijn, zoals bij Baak en de Baakse waard. Ook vindt er kwel plaats aan de rand van de Zutphenklei, zoals het Deldense Broek, het Hoge Broek en het Lage Broek, bij Hengelo. Echter zijn niet alle natte gebieden bij de IJssel het gevolg van deze kwelvensters. Bijvoorbeeld, Het Baakse Broek en Het Broek bij Oude Hengelose Beek worden niet gevoed door regionale kwel. De natte omstandigheden zijn hier waarschijnlijk vooral veroorzaakt door een combinatie van lokale kwel, lage ligging en stagnatie van regenwater op slechtdoorlatende oude kleigrond.
  • Het stroomdal van de Grote Beek wordt gekenmerkt door kwel. Het water is afkomstig van de infiltratiegebieden op de rand van de centrale bekken (de Zelhemse Enk tussen Hengelo en Zelhem) en de rivierduinen tussen Doetinchem en Doesburg.
  • In het rivierengebied is de kwelsituatie afhankelijk van de plaats en het seizoen. Er zijn hogere gebieden met overwegend wegzijging en lagere delen met kwel. Hoe dichter bij de IJssel hoe groter de invloed van de rivier. Op kaart 7.2 is de gemiddelde jaarsituatie weergegeven. Echter zomer- en winteromstandigheden kunnen in de buurt van de rivier sterk verschillen. Vooral in de winter en het voorjaar is er kwel, wanneer kwelstromen uit de IJssel ‘botsen’ met het diepe grondwaterstromingen uit het oosten.

Literatuur

[008BB] Aaltense Goor waterberging en natuurherstel (Rapport, 2012)

[009BB] Basisafvoer van de Baakse Beek, onderzoek naar perspectieven voor aquatische natuur in een laaglandbeek (Rapport, 2013)

[010BB] Raamwerkplanning en watervoorziening: Verkenning van mogelijkheden in het stroomgebied van de Baakse Beek (Rapport, 1991)

[021BB] Water naar ’t Klooster dragen, ‘monitoring verdrogingsbestrijding’ (Rapport, 1998)

[022BB] ‘Haalbaarheidsonderzoek bestrijding verdroging: Project ’t Zand/De Wiersse’ (Rapport, 1994).

[023BB] Gebiedsdosier Gelderland, Winning ’t Klooster (Rapport, 2012)

[024BB] Integrale evaluatie waterinlaat ’t Klooster 1997-2005 (Rapport, 2008)

[025BB] Gebiedproces Baakse Beek-Veengoot, Bouwsteen Water (Rapport, 2010)

[032BB] Kansenkaart water- en landnatuur Oosterwijkse Vloed en Hengelose Beek (Rapport, 2014)

Zie bibliotheek voor digitaal beschikbare documenten