Historie

De riviertjes in de stroomgebieden van de Berkel en Schipbeek hadden aanvankelijk geen duidelijk afgebakende grenzen. Ze stroomden ruwweg van het zuidoosten naar noordwesten en verdwenen in de moerassige laagten ten westen van het Oost-Nederlands plateau (lijn Lichtenvoorde-Groenlo-Eibergen). Aan het benedeneinde van deze moerassige laagte ontsprongen weer nieuwe beekjes die uiteindelijk in de IJssel uitmonden. De bovenloop van de Berkel en ook de Buurserbeek waren toen nog bovenlopen van de Regge (zie afbeelding 2.1).

a2.1 gegraven

Afbeelding 2.1. Oorspronkelijke waterlopen (blauw) en gegraven delen (rood) (Driessen et al., 2000)

In de 13e eeuw is er begonnen met het beheersen van het water in het beheersgebied van de Berkel. Zo werden beken vergraven en gegraven, watergangen omgelegd en werden er voor diverse doeleinden watermolens gebouwd. De maatregelen die in de Berkel werden genomen, hadden vooral te maken met de watermolens en scheepvaart. Voor een constante wateraanvoer werden er stuwen aangebracht die regelmatig de aanleiding vormden voor conflicten. Tot de 19e eeuw speelden de belangen van de landbouw nauwelijks een rol. Er waren regelmatig inundaties, wat vaak niet als hinder werd ondervonden. Het gebied was erop ingericht en de inundaties hadden een rol in de aanvoer van voedingstoffen voor de graslanden.

Scheepvaart

Eeuwenlang is de rivier de Berkel gebruikt als transportroute. Hiervoor is de Berkel meerdere malen vergraven waarbij o.a. in circa 1250 een belangrijke verbinding is gegraven tussen de Berkel en de Groenlose Slinge. De huidige bovenloop van de Berkel stroomde hiervoor nog ter hoogte van Haarlo via Neede naar de Regge. Via deze ‘nieuwe’ Berkel was het mogelijk om goederen te vervoeren van Zutphen naar Vreden in Duitsland. Korte tijd is er zelfs scheepvaart mogelijk geweest tot Coesfeld. De in de 17e eeuw gegraven Bolksbeek vormde de verbinding met Deventer. De bloeitijd van de scheepvaart op de Berkel lag in het begin van de 19e eeuw, toen er ongeveer 80 schepen actief waren. De zogenaamde Berkelzompen zijn platbodems met weinig diepgang van ongeveer 9 tot 12 meter lang. Deze konden twee tot acht ton lading vervoeren. Voor het bevaarbaar maken en houden van de Berkel speelden de Berkelcompagnieën een belangrijke rol. Zij bouwden onder andere sluizen in Lochem, Borculo en Eibergen. Stroomafwaarts werden belangrijke producten kalk, zilverzand, hout en aardewerk getransporteerd. Stroomopwaarts werden steen, turf, dakpannen, jenever en koloniale waren vervoerd. De situatie was echter niet ideaal. In droge tijden was de afvoer vaak te gering om te varen, er werden dan door de schippers dammen opgeworpen om het water op te stuwen. Na de aanleg van spoorwegen in de Achterhoek verdween deze scheepvaart. In 1905 voer de laatste Berkelzomp door de Borculose sluis.

Ontginning

Voor de Markewet uit 1809 bestonden grote delen van het huidige beheersgebied nog uit heide en woeste grond. Via de Markewet werden gronden verdeeld en gingen de nieuwe eigenaren meestal direct over tot het in cultuur brengen en ontwateren van hun nieuwe land. In de praktijk duurde het echter nog tot de komst van de kunstmest eind negentiende eeuw en de daaropvolgende heideontginningen begin twintigste eeuw, voordat alle gronden daadwerkelijk in aparte kavels werden verdeeld.

In de loop van de 19e en 20e eeuw nam de omvang van de landbouw toe en werden in zowel Duitsland als Nederland sloten en rivierbeddingen gegraven en vergraven. Ook zijn in deze periode aanwezige veengronden, die zijn ontstaan op keileem of in natuurlijke laagtes, afgegraven en ontgonnen. Door deze ontwikkelingen namen afvoerpieken toe en werd het beheersgebied gevoeliger voor overstromingen.

Verbeteringswerken

Door de verbeterde ontwatering van woeste gronden beschreef Staring al in 1845 dat de afvoercapaciteit van de Berkel moest worden vergroot. Ook was er al het besef dat molenstuwen, meanders, vernauwingen en sluizen de afvoer beperkten met inundaties tot gevolg. Al werden overstromingen vaak als positief ervaren door de bemestende werking van rivierslib. Aan het einde van de 19e eeuw werd de scheepvaart minder belangrijk en er was een behoefte aan een betere waterafvoer van de Berkel. Dit had te maken met de steeds vaker inunderende Berkel en de opkomst van kunstmest, die de bemestende werking van inundaties overbodig maakte.

De prioriteit lag bij een betere afwatering met de oprichting van het waterschap de Berkel in 1882 tot gevolg. Het doel van het waterschap was het verbeteren van de afvoercapaciteit door verbeteringswerken en onderhoud. Dit resulteerde in drie verbeteringsrondes:

  • 1893-1899: Tegengaan van zomeroverstromingen;
  • 1933-1936: Tegengaan van winteroverstromingen en water vasthouden in de zomer;
  • 1963-1977: Tegengaan verzanding, alleen incidentele overstromingen toestaan, verbeteren afwatering en ontwatering, grond geschikt maken en houden voor landbouw en stedelijk gebruik.

In deze periode werd de Berkel driemaal zo breed en anderhalf maal dieper (zie figuur 2.1).

2.2 profiel

Figuur 2.1 Veranderingen in het dwarsprofiel van de Berkel tussen 1845 en 1970 [025]

Naast de verbeteringswerken in de Berkel zelf zijn er nog verbeteringswerken uitgevoerd in andere watergangen.

Bolksbeek:

  • 1906-1909: zijdelingse afleiding voor de Berkel
  • 1928-1934: verbetering om de Berkel te ontlasten

Groenlose Slinge:

  • 1921-1930: verminderen overstromingen en vergroting capaciteit

Eefsebeek en Harfensebeek:

  • 1930-1940: verbetering van de Eefsebeek en Harfensebeek. Onder leiding van de “ontwateringscommissie Eefdesche en Harfensche beek” te Gorssel, deze beken kwamen pas in 1963 onder een waterschapsbestuur.

Op veel plaatsen werden (hoofd)watergangen verbreed en verdiept. De grond die vrij kwam door de verbreding werd gebruikt voor de aanleg van kades die langs grote delen van de Berkel, Groenlose Slinge en Bolksbeek aanwezig zijn (zie waterveiligheid). Naast de verbetering in de waterafvoer werd het watersysteem ingericht om het water te verdelen over grote delen van het beheersgebied. Water verdeling vanuit de Berkel is mogelijk op plaatsen met een relatief hoog Berkelpeil vergeleken met de omgeving. Op deze plaatsen ligt de Berkel meestal tussen kades (zie peilbeheer en waterveiligheid).

Aanleg Twentekanaal

Het Twentekanaal is van groot belang voor het goederentransport, maar zeker ook voor de water aan- en afvoer in een groot deel van de Achterhoek. Al in 1850 werd gesproken over de aanleg van kanalen ten behoeve van de opkomende textielindustrie in Twente. In 1858 kwamen de Overijsselse kanalen gereed die Zwolle, Almelo en Deventer met elkaar verbonden. Eerst was er nog het idee om een kanaal vanaf Lobith naar Twente te graven, hier is uiteindelijk vanaf gezien. Het duurde nog tot 1929 tot men begon met de aanleg van de Twentekanalen.

  • Het Twentekanaal is vooral van belang voor 1) het goederentransport; 2) de afwatering van het noordelijk deel van de Achterhoek en een groot deel van Zuid-Overijssel en 3) de aanvoer van water in droge tijden.
  • De aanleg van het kanaal was een ernstige inbreuk op de watersystemen van de Berkel. Het kanaal doorkruiste verschillende beken, waaronder de Bolksbeek. Het bovenstroomse deel mondt nu uit in het Twentekanaal. Het benedenstroomse deel ligt in het beheersgebied van de Schipbeek en kent nu een veel kleinere afvoer. Ook heeft het Twentekanaal impact op het nabijgelegen grond- en oppervlaktewater. Dicht bij de IJssel, ten oosten van sluis Eefde ligt het kanaal hoog ten opzichte van de omgeving. Meer naar het oosten ligt het kanaal ingesneden in het landschap, hier onttrekt het kanaal grondwater uit de omgeving.
  • Door de aanleg van het Twentekanaal was er minder wateroverlast, grote hoeveelheden water kunnen worden afgelaten op het Twentekanaal. De afvoer vindt plaats via de:

- Bolksbeek;

- aflaat bij verdeelwerk Lochem;

- aflaat via het Afleidingskanaal bij de sluis bij Eefde;

- monding van de Eefsebeek in het Twentekanaal.

Ruilverkavelingen

Na de 2e wereldoorlog hebben er ruilverkavelingen plaatsgevonden. In de ruilverkavelingen werden onder andere waterlopen verbeterd en nieuwe gegraven. Om de snelle afvoer te vertragen werden stuwen aangebracht. Door de verbeterde afvoer en diepere grondwaterstanden werden gronden meer geschikt voor landbouw. Mede door Duitse ontginningen was er ondanks de twee verbeteringsrondes nog steeds overlast in de jaren ’60. Bij de derde ronde werd de Berkel zo ontworpen dat overstromingen nog maar eens per 100 jaar mochten voorkomen. Hierbij werd rekening gehouden met een toenemende afvoer vanuit Duitsland die echter niet heeft plaatsgevonden. De Berkel is nu nog ruim gedimensioneerd.

Recente Historie

Sinds begin jaren ‘90 wordt er meer integraal naar waterbeheer gekeken en is er naast waterkwantiteit ook meer aandacht voor de waterkwaliteit, landschappelijke kwaliteit en ecologie. Hiertoe zijn er sinds midden jaren ‘90 diverse herinrichtingsprojecten uitgevoerd. Zo zijn er langs de Groenlose Slinge en Berkel op verschillende plekken natuurvriendelijke oevers en stapstenen aangelegd en is onder andere de Koffiegoot heringericht. Ook is er gewerkt aan het meer ecologisch inrichten van de watergangen en het visoptrekbaar maken van de Berkel, de Groenlose Slinge en enkele bovenlopen.

In augustus 2010 was in zowel het Nederlandse als het Duitse deel van het stroomgebied hevige regenval. De afvoer was op sommige plaatsen vergelijkbaar met de maximale afvoer die de beek aan kan (T=100). Watergangen konden de aanvoer niet of nauwelijks meer aan en traden op een aantal plekken (bijna) buiten hun oevers, vooral in het stroomgebied van de Groenlose Slinge was er wateroverlast.

Ontstaan van het waterschap van de Berkel

In 1882 werden tegelijkertijd de waterschappen van de Schipbeek, Dortherbeek en Berkel opgericht. Daarvoor had Willem Constantijn Arnold Staring de waterstaat van het gehele Berkelgebied in kaart gebracht, waaronder gedetailleerde tekeningen van de bruggen en de mogelijkheden tot bevaarbaarheid van de waterlopen. Binnen het Waterschap van de Berkel werden vier zelfstandige afdelingen opgezet, die in 1950 werden samengevoegd:

  • Afdeling Beneden Berkel;
  • Afdeling Boven Berkel;
  • Afdeling Beneden Slinge;
  • Afdeling Boven Slinge.

Het stroomgebied van de Berkel, inclusief Groenlose Slinge, vormde het grootste gedeelte van de oppervlakte van het waterschap, met ruim 30.000 hectare. Daarnaast had het waterschap vanaf 1963 ook het beheer over:

  • Stroomgebied Eefsebeek;
  • Stroomgebied Dommerbeek;
  • Stroomgebied Flierderbeek;
  • Stroomgebied Polbeek;
  • Stroomgebieden Vierakkerse- en Onderlaatse Laak;
  • Gronden tussen Gorssel en de IJssel;
  • Gronden ten noorden van Lochem die afwaterden op het Twentekanaal.

In 1997 ging het Waterschap van de Berkel op in het Waterschap Rijn en IJssel samen met Polderdistrict Rijn en IJssel, Waterschap De Schipbeek, Waterschap IJsselland-Baakse Beek, Waterschap van de Oude IJssel en Zuiveringsschap Oostelijk Gelderland.

Literatuur

[001B]   Onderzoeksrapport bij: Aanvullend GGOR Benedenloop Berkel (Rapport, 2011)

[002B]   IJssel en Berkel (memo)

[004A] Gij beken eeuwig vloeiend; Water in de streek van Rijn en IJssel’ (Boek, 2000).

[004B]   Historisch Waterbeheer, een benadering van historische watersystemen: definities en voorbeelden (Rapport, 2005)

[005B]   De Berkel beschouwd (Boek)

[006B]   Berkel visie (Rapport, 2005)

[019SB] Varen waar geen water is Reconstructie van een verdwenen wereld, geschiedenis van de scheepvaart ten oosten van de IJssel van 1300 tot 1930 (Boek, 1981)

[020B]   Landgoed Ampsen, verleden heden en toekomst van een landgoed in particulier eigendom (Boek)

[030B]   De Ramsbeek: Geschiedenis van een verdwenen Marke (artikel, 1998)

Zie bibliotheek voor digitaal beschikbare documenten