Historie

De naam IJssel kent oude vormen. De naam duikt op als Hisla, later Isla, Ysola en Isula. Hierin is het Germaanse woordje ‘is’ verborgen dat snelstromend betekent. De Oude IJssel was vroeger een meanderende rivier. Oude delen van meanders zijn nog terug te vinden in het landschap (zie geomorfologie). Op de hoge en strategische plaatsen zijn landgoederen en burchten ontstaan (zie cultuurhistorie). De lagere delen werden later in gebruik genomen als hooi en grasland. In het overgangsgebied tussen het rivierduinen- en rivierweidelandschap is de bebouwing van Doetinchem (bij samengaan met Slingebeek en Oude IJssel), Gaanderen, Ulft en Terborg ontstaan. Dit is de grens tussen droog en nat. De Oude IJssel vormde een natuurlijke scheiding tussen de vooral protestants bevolking ten noorden van de rivier en katholieken ten zuiden van de Rivier in de Liemers.

Onder Napoleon werd de Oude IJssel een Rijkswater, net als alle bevaarbare watergangen. In 1850 was het Nederlandse deel van de Oude IJssel nog 76 km lang. De rivier was veelal in een toestand zoals deze ook in de middeleeuwen was, bijna een natuurlijke toestand. De rivier slingerde door het land, met diepe en ondiepe delen. Doordat de loop herhaaldelijk veranderde bleven er ook overblijfselen van oude lopen over. Menselijk ingrijpen was beperkt, voor verschillende watermolens zijn stuwen, toevoerkanalen en soms zelfs kribben aangelegd. Deze toestand leidde tot klachten van de IJzerindustrie, watermolens en Duitsland. In 1876 werd de rivier overgedragen aan de provincie Gelderland. Onder (financiële) impuls van het Rijk is in 1882 het waterschap Oude IJssel opgericht om de Oude IJssel beter bevaarbaar te maken voor scheepvaart en de waterafvoer te verbeteren, het gebied had namelijk regelmatig te maken met inundaties. De eerste watergraaf was de heer Reigers, directeur van de toenmalige DRU te Ulft, een belangrijke ijzerfabriek in de regio.

De afwatering was eind 19e eeuw naar huidige begrippen onvoorstelbaar slecht in de Achterhoek. In natte tijden was het drassig of stond land onder water. Het inunderen (overstromen van gebieden) van de landbouwgrond werd echter niet altijd als nadelig ervaren. De bemestende waarde van het water en de goede bevochtiging van het land voor de groeiperiode werden als voordeel gezien. Men maakte zich vooral druk om landverlies door verruiming van beken en rivieren en de lagere waterstand in droge tijden. Piekafvoeren waren van veel minder belang dan tegenwoordig omdat de rivieren, beken en bovenlopen veel meer bergingscapaciteit (het volume water dat kan worden vastgehouden tijdens natte omstandigheden) hadden en inundaties werden meer getolereerd.

Verbeteringen

In 1880 werd besloten de rivier Oude IJssel anders in te richten.Tussen 1880 en 1960 is het watersysteem van de Oude IJssel in fasen verbeterd. De werken tot de jaren ‘40 hadden maar beperkt effect, er was nog steeds op wateroverlast. In en na de 2e wereldoorlog werd de overlast sterk teruggedrongen en werd grootschaliger beroepsscheepvaart mogelijk.

1e verbeteringswerken

Na de oprichting van het waterschap in 1882 is de Oude IJssel uitgebaggerd en geschikt gemaakt voor schepen tot ca 100 ton. Er zijn 5 sluis- en stuwcomplexen gebouwd (in Doesburg, Laag Keppel, Kemnade te Wijnbergen, Vulcaansoord in Terborg en Ulft) en ophaalbruggen (in Doesburg, Laag Keppel, Doetinchem, Terborg en Ulft). Bij deze verbeteringswerken is ook het tracé van de rivier wat aangepast rechtgetrokken).

2e verbeteringswerken

Aan het einde van de jaren 30 in de vorige eeuw kwam de vraag van - vooral de agrarische sector - om een verbeterde afwatering en vanuit de industrie om grotere schepen voor de aanvoer van veevoeder. In en direct na de 2e wereldoorlog zijn de 2e verbeteringswerken uitgevoerd. De Oude IJssel werd gekanaliseerd en de afvoercapaciteit vergroot. De 5 oude sluizen en stuwen zijn vervangen door 3 nieuwe complexen (in Doesburg, bij de Pol te Terborg en in Ulft). De sluizen zijn geschikt voor schepen tot ca 600 ton. Bij de stuw en sluis in Doesburg is het waterpeil in de Oude IJssel met ca 2 meter verhoogd. Daardoor is de sluis en stuw in Laag Keppel komen te vervallen en kunnen de schepen sneller naar Doetinchem varen. Om dit te realiseren zijn leggen er kaden (dijken) langs de rivier. Door deze ingreep is het vlechtende en natuurlijke riviersysteem niet meer te zien. De rivier in getemd

Scheepvaart

De boomstamboot uit 175 jaar na Chr. die bij Doesburg werd opgegraven, toont aan dat de Oude IJssel al bijna 2000 jaar wordt bevaren. In 1763 kwam er een schutsluis en een ophaalbrug bij Keppel. De bevaarbaarheid van de rivier werd hierdoor bij Keppel verbeterd maar bleef verder slecht. In de 18e en 19e eeuw maakte hoofdzakelijk de ijzerindustrie gebruik van de Oude IJssel tot in Bocholt. Het waren maar kleine platbodem aken, mede omdat de Oude IJssel plaatselijk ondiep en breed was (tot wel 120 m bij Doesburg). Voortbeweging van de aken ging via bomen, riemen of zeilen. Als dit niet lukte werden ze getrokken.

Het waterschap Oude IJssel was in 1882 opgericht om de Oude IJssel beter bevaarbaar te maken voor scheepvaart. De combinatie met waterafvoer was volgens lokale belanghebbenden een ‘onmogelijk huwelijk’. Na veel gesoebat is in 1889 een besluit genomen om scheepvaart mogelijk te maken. In de jaren erna is begonnen met het rechttrekken en aanpassen van de Oude IJssel en Aastrang. Echter financiële beperkingen waren veelal de reden dat de werken aan de Oude IJssel niet voldeden. Wel werd de wateroverlast beperkt. Pas (Programmatische Aanpak Stikstof) vanaf 1940 tot 1963 is er veelal onder het mom van werkverschaffing gewerkt aan het bevaarbaar maken van de Oude IJssel voor grotere schepen. De Oude IJssel is in deze periode gekanaliseerd. In de jaren ‘40 dacht men aan kanalisatie van de Neder-Rijn in plaats van de IJssel. Na de watersnood van 1953 is besloten toch de Neder-Rijn te kanaliseren en de afvoeren te reguleren. De afvoer in de IJssel bleef hierdoor meer variabel en de schutsluis bij Doesburg bleef noodzakelijk. Door de verbeterde bevaarbaarheid van de Oude IJssel als gevolg van de 2e verbeteringswerken kon de (ijzer)industrie langs de rivier zich verder ontwikkelen. Toentertijd werd trouwens serieus overwogen om elektriciteit op te wekken bij Doesburg en Ulft. Door tegenwerking van PGEM, de Provinciale Gelderse Elektriciteits Maatschappij ging dit niet door. De verbeteringen tussen 1940 en 1960 bleken voldoende, er zijn hierna geen grootschalige werken meer uitgevoerd. In 1976 werd de financiering van het vaarwegbeer verantwoordelijkheid van de Provincie Gelderland in plaats van het Rijk. Provincie Gelderland heeft het nautisch beheer over de Oude IJssel als openbaar vaarwater gemandateerd aan Waterschap Rijn en IJssel. Dit betekent dat het waterschap als bevoegd gezag kan optreden op basis van de scheepvaartverkeerswet. Ook het dagelijks beheer valt nog steeds onder het waterschap. Sinds 1986 is de schutsluis bij de Pol niet langer toegankelijk voor beroepsvaart. Dit was een gevolg van de aanleg van de ‘Slingerparallel’, een provinciale weg (N317) die anders had moeten worden voorzien van een brug die passeerbaar is voor de beroepsvaart.

Grensoverschrijdend stroomgebied

Talrijk zijn de klachten van Nederlandse zijde, dat vanuit Duitsland veel te veel water, te veel zand en de laatste tijd veel te veel vuil naar Nederland werd afgevoerd. Al in de Middeleeuwen waren er protesten, maar ze haalden helemaal niets uit omdat er geen rechtsregel bestond, die de afvoer regelde. Nog in 1949 is de afvoer van de Bocholter Aa (bovenloop van de Aastrang) in Duitsland sterk vergroot zonder werkelijk overleg. Pas sinds de jaren ‘50 is er uitvoerig grensoverschrijdend overleg ten aanzien van het te voeren waterbeheer. Mede door aanpassingen in Duitsland zijn de piekaanvoeren toegenomen. Het maximale debiet in de Aastrang nam tussen 1888 en 1949 toe van 27 tot ruim 100 m3/s. In 1978 is er een grenswaterverdrag voor de Issel vastgelegd, ofwel een Tractatenblad van het koninkrijk der Nederlanden.

Waterkwaliteit

Het beheersgebied van de Oude IJssel stond vanaf de middeleeuwen en vooral na 1900 in toenemende mate onder invloed van aanpassingen ten behoeve van de scheepvaart, waterafvoer en de landbouw. Dit kwam de natuurlijkheid en dus de (ecologische) waterkwaliteit niet ten goede. Verontreinigende stoffen zoals wasmiddelen, nutriënten (voedingsstoffen voor planten, veelal stikstof en fosfaat) en bestrijdingsmiddelen kwamen direct, via rioollozingen of via uit- en afspoeling van landbouwgronden in het watersysteem terecht. In eerste instantie was de aandacht gericht op het verbod op schadelijke wasmiddelen en de ontwikkeling van rioolwaterzuiveringen. Aan het eind van de 20e eeuw nam de aandacht voor waterkwaliteit steeds meer toe. Er kwamen striktere milieueisen voor ondermeer de landbouw, waterzuiveringen en lozingen en is er rond de eeuwwisseling 1 miljoen m3 vervuilde baggerspecie verwijderd uit de Oude IJssel. Sinds de invoer van de KRW in 2000 is nog meer aandacht voor waterkwaliteit en ecologie.

Zijtakken van de Oude IJssel

De Bielheimerbeek / Boven Slinge is van oudsher een belangrijke beek in het beheersgebied. In Duitsland heet de beek Schlinge. De beek stond vroeger in verbinding met de Groenlose Slinge en liep langs Winterswijk, via Groenlo en Borculo richting de Berkel. Alleen bij piekafvoeren stroomde er ook water naar het dal van de Aaltense Slinge. Aan het eind van de middeleeuwen is de beek vergraven of verzand en aangetakt op deze Aaltense Slinge. De Boven Slinge komt uit sterk hellende keileemgronden. De bovenloop van de beek is altijd gekenmerkt door haar natuurlijke karakter. In 1966 werd dit als deugd maar ook als gebrek gezien. Voor het waterschap was de slordige situatie, met uitgeschuurde oevers, omvallende bomen en inundatie (overstroming van gebieden), moeilijk te accepteren. Pogingen om het bovenstroomse deel van de beek te verbeteren hadden door het grote verhang maar weinig succes. De huidige loop van de Bielheimerbeek is waarschijnlijk in de 15e of 16e eeuw ontstaan door graafwerkzaamheden ten behoeve van waterkracht en water voor de landerijen van Klooster Bethlehem. In deze periode stroomde het water ook nog grotendeels van de Boven Slinge via de Beneden Slinge richting de Oude IJssel, inundaties van vele hectaren waren heel gewoon. Het benedenstroomse deel is tussen 1850 en 1895 rechtgetrokken. Toen stroomde inmiddels het merendeel van het water door de Bielheimerbeek. Begin 20e eeuw is de beek verder verruimd en genormaliseerd.

In 1926 stroomde Rijnwater voor het laatst over de Spijkse overlaat bij Lobith. Het water stroomde ten zuiden van Montferland naar het Waalse water om bij de Kemnade uit te monden in de Oude IJssel. Deze grote afvoeren had het Waalse water een belangrijke invloed op het profiel van de Oude IJssel, die destijds na het samengaan met het Waalse Water veel breder en dieper werd. Dit is nu niet meer het geval. In 1959 werd de Spijkse overlaat gesloten en kon er ook in de lagere delen bij Doetinchem gebouwd worden.

De Keizersbeek is vroeger een belangrijke beek geweest en voerde water af vanuit het Zwanenbroek, een drassig gebied ten oosten van Aalten. In 1965 werd deze beek ingrijpend verruimd om ook het lage land om Bredevoort afdoende te ontwateren. De Keizerbeek verbonden met de Schaarsbeek die ontspringt in het Korenburgerveen. Bij Verdeelwerk Bredevoort kruist de Schaarsbeek de Boven Slinge (zie watersysteem).

Recente geschiedenis

Sinds de jaren 90 waren er de volgende ontwikkelingen:

  • Tijdens het hoogwater van 1993, 1995 en vooral 1998 trede de Oude IJssel buiten zijn oevers, vooral in Duitsland leidde dit in 1998 tot overlast. Het hoogwater van 1998 was ook de enige keer dat het verdeelwerk bij Bredevoort is gebruikt om water van vanuit de Boven Slinge naar de Keizersbeek te leiden. Dit was geen succes, er ontstond schade in de Keizersbeek omdat deze de grote debieten niet goed aan kon.
  • In het Nederlandse deel kwam (meer) aandacht voor ruimte voor water en flexibel stuwbeheer. In Duitsland is “Hochwasserschutz” is een belangrijk thema, meer nog dan ontwikkeling van de EVZ.
  • In de periode 1997 tot 2003 is ongeveer 1 miljoen m3 baggerspecie verwijderd
  • In 1997 ontstond het Waterschap Rijn en IJssel door samenvoeging van met Polderdistrict Rijn en IJssel, Waterschap De Schipbeek, Waterschap Berkel, Waterschap IJsselland-Baakse Beek, Waterschap van de Oude IJssel en Zuiveringsschap Oostelijk Gelderland.
  • In 2001 is na uitgebreid overleg in het vaarwegenplan vastgesteld dat er geen capaciteitsvergroting komt voor de scheepvaart.
  • Sinds begin deze eeuw is er in het beheersgebied van de Oude IJssel hard gewerkt aan het behalen van KRW-doelen, denk hierbij aan het verbeteren van de vispasseerbaarheid, herinrichting van de Boven Slinge en aanleg van natuurvriendelijke oevers.
  • De provincie Gelderland heeft de rivier Oude IJssel aangewezen als natte ecologische verbindingszone (EVZ) en is ingericht volgens model Winde (Uitvoeringmaatregelenprogram ma 2003-2018, zie ook natuur)
  • Bij het hoogwater van 2011 is het retentiereservoir bij Bredevoort gebruikt om wateroverlast in Aalten te voorkomen.

Literatuur

[003A]      De Rijntakken van de bovenrivieren seder 1600 (Rapport, 2003)

[004A]      Gij beken eeuwig vloeiend; Water in de streek van Rijn en IJssel’ (Boek, 2000).

[006OIJ] Strijd om de rivieren 200 jaar rivierenbeleid in Nederland (Rapport, 2006)

[007OIJ] Historie Oude IJssel 1 (memo)

[008OIJ] Historie Oude IJssel 2 (memo)

[015OIJ] EVZ Oude IJssel (Rapport)

[018OIJ] Uitwerkingsnota toeristisch recreatief medegebruik Oude IJssel (Rapport, 2013)

[019OIJ] Voorstel aan Provinciale Staten, Vaarwegverordening Gelderland (voorstel, 2009)

[020OIJ] Diverse waterbodemonderzoeken, EVZ Oude IJssel (Rapport, 2012)

[021OIJ] Gemeente Doesburg, Bestemmingsplan IJssel en Oude IJssel, toelichting (Rapport, 2013).

[024A]      Visplan Rijn en IJssel, Deel 2: gebiedsgerichte uitwerking in factsheets (formulieren waarin de kenmerken, doelen en maatregelen voor waterlichamen worden beschreven) (Rapport, 2013)

[029OIJ] Tractatenblad van het Koninkrijk der Nederlanden 1978 nr. 112 (artikel, 1978)

Zie bibliotheek voor digitaal beschikbare documenten