Landschap & landgebruik

Rivierenlandschap

Het westelijke deel van het beheersgebied Oude IJssel is ontstaan onder invloed van rivieren. Lage delen overstroomden regelmatig of waren zeer nat (de z.g. broeklanden) en daarmee waren ze ongeschikt voor bewoning. Mensen gingen op de hoger gelegen gronden wonen, de zogenaamde oeverwallen en stroomruggen. Hier waren ook de bouwlanden en boomgaarden. De laagste delen van het kleigebied (kommen) waren vanwege het natte karakter vooral in gebruik als hooi- of weiland. Kavelgrenzen werden gemarkeerd door elzensingels of meidoornhagen, waardoor het landschap een besloten karakter had.

Het huidige rivierenlandschap kenmerkt zich nog door een gevarieerd landschap. Enerzijds de natte, laag gelegen delen; anderzijds bestaat het landschap uit de hogere delen, de zogenaamde oeverwallen en stroomruggen. Op deze oeverwallen komt nog tamelijk veel beplanting voor: bomenrijen, boomgaarden en houtsingels. Door het grillige verloop van de oeverwallen is het wegenpatroon bochtig. De grootste veranderingen hebben plaatsgevonden in de laaggelegen broeklanden. Na de ruilverkaveling zijn lange rechte wegen aangelegd en is de verkaveling efficiënter geworden voor de landbouw. Naast grasland komen nu ook maïspercelen voor. Bijna alle hagen en elzensingels zijn opgeruimd waardoor het landschap veel opener is geworden.

Het landschap ten oosten van de Oude IJssel

Het landschap in het oostelijk deel bestond vroeger uit kampen- en essenlandschap, bestaande uit kleine agrarische ondernemingen in bosrijke gebieden. Vanaf de 17e eeuw zijn bossen gekapt en ontstonden heide gebieden. Door intensieve begrazing met schapen ontstonden stuifduinen die later door bos werden vervangen. In het midden van de 19e eeuw werd het land verdeeld onder boeren en ontstonden heggen en houtkanten op de perceelgrenzen. Op de beboste arme zandgronden ontstonden landgoederen in de nattere delen waren nog steeds moerassen en broekbossen. Door deze ontwikkelingen was het landschap tot het midden van de 19e eeuw erg veelzijdig. Het huidige landschap kenmerkt zich nu door openheid en agrarisch gebruik. Het is vergelijking met eind 19e eeuw soorten- en structuurarm. Landschapstypen zijn vervaagd, door:

  • Ontginning (in rechthoekige patronen);
  • Het vervangen van heggen en houtkanten voor prikkeldraad;
  • Opschaling van percelen (door ruilverkavelingen).

Landgebruik

Veelvoorkomend agrarisch gebruik is grasland en maispercelen (samen goed voor 62%). Bos en natuur zijn goed voor ca. 12 % van de oppervlakte. Het gebied kenmerkt zich door kleine rietmoerassen, wilgenstruwelen en vooral weilanden. Aan de noordzijde van de Oude IJssel ligt, als een lint, het rivierduinenlandschap met hierop de belangrijkste woonkernen: Doesburg, Doetinchem en enkele dorpen ten zuidoosten van Doetinchem. Meer in het oosten liggen Varsseveld en Aalten. Winterswijk ligt voor een deel in het beheersgebied van de Berkel (zie kaart 2.5). Het landschap in het oosten van het beheersgebied kent relatief grote hoogteverschillen en is deels bebost.

Tabel 2.1: Verdeling van landgebruik in het beheersgebied Oude IJssel naar hoofdklassen (LGN6 uit 2008)

2.1

lgn

Kaart 2.6: Landgebruik kaart Oude IJssel (LGN6 uit 2008)

Literatuur

[010OIJ] Masterplan ‘De Pol’ (Rapport)

[021OIJ]  Gemeente Doesburg, Bestemmingsplan IJssel en Oude IJssel, toelichting (Rapport, 2013).

[023OIJ] Nieuwe noabers vernieuwend landschap, Landschapsontwikkelingsplan voor de gemeente Aalten (Rapport, 2007)

[024OIJ]  Een mooier buitengebied maken we samen! (Rapport, 2010)

[025OIJ] Ontwikkelingsvisie Zandwinlocatie Azewijnse Broek (Rapport, 2009)

Literatuur

Zie bibliotheek voor digitaal beschikbare documenten