Vismigratie

Gepubliceerd op 8 september 2020

Het is herfst. Voor vissen en andere diertjes onder water een belangrijk seizoen. Het is erop of eronder. Kunnen ze genoeg voedsel bemachtigen om de winter goed door te komen?

In de herfst gaat een groot deel van de natuur richting een rustperiode. Bomen verliezen hun blad, veel vogels trekken naar het zuiden. Ook in onze rivieren gebeurt er van alles in het najaar. De herfst staat vooral in het teken van het opbouwen van reserves om de winter door te komen.

Macrofauna (de in het water levende diertjes zoals insecten, bloedzuigers en slakken) in herfst in winter

Behalve vissen leeft er ook macrofauna in onze beken. Dit zijn kleine beestjes die je wel met het blote oog kunt zien (dus zonder microscoop). Ze zijn ongewerveld. Dat betekent dat ze geen ruggengraat of wervelkolom hebben. Er zijn wel duizenden soorten. Bekende soorten zijn schaatsenrijders, waterkevers of bloedzuigers. De meeste macrofauna zie je helemaal niet. Vlokreeftjes of libellenlarven leven verborgen in de bodem, tussen planten of op stenen.

In de herfst bereidt macrofauna zich voor op de winter. Ze ruimen bijvoorbeeld bladeren op die in het water zijn gevallen. Ze versnipperen het tot hele kleine stukjes en eten het dan op. Een volgevreten vlokreeft is op zijn beurt weer een lekker hapje voor bijvoorbeeld vissen en kikkers.

Vissen in de herfst en winter

Zou je in de herfst een vis vangen, dan heeft hij als het goed is een lekkere ronde buik. Hij heeft extra veel gegeten om de winter door te komen. Het water wordt kouder, dus vissen gaan op zoek naar diepe of beschutte plekken zoals locaties met omgevallen bomen en wortels in het water. Eigenlijk net als vogels. Die trekken ook naar warmere en beschutte plaatsen in herfst. In de winter doen vissen weinig . Ze wachten in diepere wateren totdat er warmere  tijden aanbreken.

Lange afstanden

Vissen trekken gedurende het voorjaar van de ene naar de andere plek om te paaien(het voortplantingsgedrag van vissen) (het voortplantingsgedrag van vissen) (zich voort te planten), om voedsel te vinden of om op te groeien. Sommige vissen, zoals de paling, leggen enorme afstanden af. Een babypaling, wordt als glasaal geboren in de Sargassozee voor de kust van Mexico. Hij trekt naar het zoete Europese binnenwateren van rivieren beken en sloten om op te groeien tot een volwassen paling. Na tien tot vijftien jaar gaat hij terug naar de Sargassozee om zich voort te planten. Afhankelijk van in welke rivier de vis opgroeit, kan de afstand oplopen tot zo’n 6000 kilometer. Een jong visje doet soms wel twee tot drie jaar over die grote reis.

Windes en brasems

Iedere vissoort heeft zijn eigen voorkeur voor paai- en opgroeilocatie. De winde blijft in tegenstelling tot de paling meer in de buurt. Zij verblijven in de winter in de benedenloop van  rivieren of meren, waar ze met zijn allen warmere tijden afwachten in het diepe water. In de lente, als het water de 10 graden Celsiusnadert, zwemmen de windes stroomopwaarts. Ze zwemmen naar de paaiplekken met sneller stromend water en grind of zand op de bodem. Hele scholen windes kun je dan voorbij zien komen, vooral in beken die direct uitmonden in de IJssel . Na de paai in de beek zwemmen de windes snel weer terug naar de rivier  om voedsel te zoeken. De jonge windes groeien op in de stromingsluwe stukken zoals oeverzones van de beek of rivier waar ze geboren zijn.

Brasems leggen nog kleinere afstanden af. Ze zwemmen korte afstanden binnen de rivier of beek om eitjes te leggen in de oeverzone met veel planten. Eind april en begin mei kan dat soms flink tekeer gaan in de oeverzones. Mannetjes verdedigen vaste plekken tegen andere mannetjes. Als er een vrouwtje haar eitjes afzet zwemmen grote groepen mannatjes naar voren om de eieren te bevruchten. In het warme ondiepe water komen de eitjes na twee weken uit.

Wat doen vissen de rest van het jaar?

In het voorjaar begint opnieuw de trek naar de ondiepe paaigronden, met stromend en helder water en een bodem met zand en  grind. Of juist naar plekken met veel waterplanten en ondiep warm water.

Vispassages

Bij het trekken door onze rivieren komen vissen regelmatig  hindernissen tegen. Gemalen, sluizen en stuwen werpen letterlijk een drempel op tijdens hun reis. Daarom helpt het waterschap vissen met het bouwen van vispassages rond deze hindernissen. Via zo’n vispassage kunnen vissen stapsgewijs rond een gemaal of stuw zwemmen. Ook zorgen we voor voldoende leefruimte voor vissen door in rivieren en beken variatie aan te brengen in de stroming, waterplanten begroeiing of beschutting . Zo zorgen we voor gezonde leefomgeving onder en boven water.

In het voorjaar loopt alles weer uit. Vogels trekken weer noordelijker en gaan broeden. Ook in onze rivieren gebeurt er van alles in het voorjaar. Zodra het water weer warmer wordt maken vissen zich op voor de vistrek. op zoek naar geschikte plaatsen om eitjes te leggen. Hoe dat precies werkt, lees je hieronder.

Lange afstanden

Vissen trekken van de ene naar de andere plek om te paaien (het voortplantingsgedrag van vissen) (zich voort te planten), om voedsel te vinden of om op te groeien. Sommige vissen, zoals de paling, leggen enorme afstanden af. Een babypaling, wordt als glasaal geboren in de Sargassozee voor de kust van Mexico. Hij trekt naar het zoete Europese binnenwateren van rivieren beken en sloten om op te groeien tot een volwassen paling. Na tien tot vijftien jaar gaat hij terug naar de Sargassozee om zich voort te planten. Afhankelijk van in welke rivier de vis opgroeit, kan de afstand oplopen tot zo’n 6000 kilometer. Een jong visje doet soms wel twee tot drie jaar over die grote reis.

Windes en brasems

Iedere vissoort heeft zijn eigen voorkeur voor paai- en opgroei locatie. De winde blijft in tegenstelling tot de paling meer in de buurt. Zij verblijven in de winter in de benedenloop van  rivieren of meren, waar ze met zijn allen warmere tijden afwachten in het diepe water. In de lente, als het water de 10 graden Celsius nadert, zwemmen de windes stroomopwaarts. Ze zwemmen naar de paaiplekken met sneller stromend water en grind of zand op de bodem. Hele scholen windes kun je dan voorbij zien komen, vooral in beken die direct uitmonden in de IJssel . Na de paai in de beek zwemmen de windes snel weer terug naar de rivier  om voedsel te zoeken. De jonge windes groeien op in de stromingsluwe stukken zoals oeverzones van de beek of rivier waar ze geboren zijn.

Brasems leggen nog kleinere afstanden af. Ze zwemmen korte afstanden binnen de rivier of beek om eitjes te leggen in de oeverzone met veel planten. Eind april en begin mei kan dat soms flink tekeer gaan in de oeverzones. Mannetjes verdedigen vaste plekken tegen andere mannetjes. Als er een vrouwtje haar eitjes afzet zwemmen grote groepen mannatjes naar voren om de eieren te bevruchten. In het warme ondiepe water komen de eitjes na twee weken uit.

Vispassages

Bij het trekken door onze rivieren komen vissen regelmatig  hindernissen tegen. Gemalen, sluizen en stuwen werpen letterlijk een drempel op tijdens hun reis. Daarom helpt het waterschap vissen met het bouwen van vispassages rond deze hindernissen. Via zo’n vispassage kunnen vissen stapsgewijs rond een gemaal of stuw zwemmen. Ook zorgen we voor voldoende leefruimte voor vissen door in rivieren en beken variatie aan te brengen in de stroming, waterplanten begroeiing of beschutting . Zo zorgen we voor gezonde leefomgeving onder en boven water.


Aan de waterkant met Rick Boerboom

Rick Boerboom

De opwinding die je voelt als je een grote karper aan de haak hebt geslagen .. Lees meer

Vispassages

scan425

Weet jij hoeveel treden een vistrap heeft? Lees meer

Wist je dat?

lezenblijftmoeilijk_9190

Wat heeft deze Aalscholver niet begrepen, wat iedere visser wel zou moeten weten?